Junkieverdriet

Cover: 
Jaar: 
1976
Genre: 
Poëzie
# blz: 
56
Inhoud: 

Junkieverdriet

Mijn eeuwenoud, mijn levenslang junkieverdriet
Van geboortepijn tot nu mijn eenzaamheid
Die ik deel met duizenden nu ik weet wat ik weet:
Dat de mens een naald is zoekend naar een ader
Zoekend naar de kiespijn van zijn ver verleden.

Junkieverdriet, bass-toon van deze tijd
Waar de verschopte verschaalt in een dode hoek
Van het denkperspectief, in de paranoia
Van de kleine penis en de schizofrenie van schaamte.

In deze wereld mijn waansisteem werd liefde
Een misdrijf in het duister en reizen kruipen
Uit de schaduw der ouders naar de schaduw van de dood.
Verdrinken tijdens de armslag naar meer.

Licht van alle licht, licht
Dat niet dooft met de dagen en mijn geheugen
Voortdurend doorschijnt, licht licht
Dat niet zinkt in de stof het woord
Dat muis is knagend binnen klein bestek,
Licht dat bomen doorruist en water, licht
Dat leeft op de vloedlijn bij springtij,
Tussen afkick en hit, wit licht, witte hitte.

Aan mijn prinses

Liefste, hart en woorden
Houden voor jou stil,
Jij blinde vlek in mijn vermoorden
Van wat ik vergeten wil.

Kleine vink, lieve kleine kinkel
-De liefde speelt mij parten_
Baby-face, bijou, scharminkel
Voor wie ik alles weer wil tarten

Tot ik, als vroeger, blind van pijn
Weer neerlig, eenzaam in het laken
Het gaat niet om het zijn
Maar om wat wij er van maken,

ENVOI:
Prinses, ik beschrijf wat ik bewonder,
Wat ik vrees, bemin of haat
Prinses, nu ik u ken kan ik niet zonder,
Gedoog niet dat ik u verlaat

Eenhoorn

Here, zonder naam en zonder gezicht
Zie vanuit den hoge
Op uw droeve eenhoorn neer
Die danig hunkert naar uw licht,

Die sierlijk door de wouden dwaalt
Maar bladeren geen voedsel vindt,
Die voor de poort der doden draalt,
Allen bladeren op uw wind.

Here, zonder handen zonder stem
Snij de lichtlans van zijn voorhoofd
En vang hem in uw stalen klem
Voor de wereld hem de glans ontrooft,

Lok hem langs de stapsteen sterven
Niet als anderen domweg gedoofd
Maar rein, vrij van bederven
Langs de kruisweg waar hij in gelooft.

Een marsman op aarde.

Altijd het afgewend zijn, het leven
In een landschap dat ik niet ken,
Verscheurd door de schuld
En verlangen naar het einde
Van de twijfel die ik ben.

Altijd hongerig in deze platgebrande,
Nietige wereld waarin ik niets herken
En zoek naar de onrust die mij heeft bepaald
Maar waarvan ik blijf afgewend, kortademig
En door geen mens gekend.

En ik ben alleen, zoals enkel die mens
Alleen was, poging tussen einde en begin.
Na de behaaglijke blindheid jeugd
De zure geur van zoveel vrouwen
Die niets ontstaken in mij dan nacht,

Dan kortstondig stamelen voor de stilte.
Ik heb niemand gekend en niemand kent mij.
Geen antwoord: echo's, spiegelingen, rook.
Gebeente staat stijf in mijn vlees
Zoals ik in de anderen doodstil

Wachtend op het langzaam ontbloten.

En Wat Dan?

Op een dag zal ik weg zijn en
wat dan? Verdwenen zonder een
teken te geven of te nemen en
het puin dat ik achterlaat is
niet langer lachwekkend.

Want wie zoals ik nooit heeft
gebouwen laat niets achter dan
verwachting en verwarring en
wat dan?

Wellicht in uw herinnering zal ik
stollen verstijven, niet lang meer
blijven maar verbleken tot verledenen wat toen? Te doen?
'Het was waar' zult gij zeggen 'hij speelde
met woorden als geen ander maar wat
heeft dat te betekenen.' Zo bleek zal
ik zijn.

In u...

en wat dan...?

Samen

Moeder, gij hebt mij moeizaam uitgespuwd
En van elk jaar de harde striem verdragen
Want mijn waaien was niet gauw geluwd
Ik wou eerst in alle kieren klagen.

In uw hagelwit harnas gemetseld
Zijn wij samen door de tijd verwond
Die ons nimmer wilde dragen
En bittere lijnen kerfde rond de mond:

Of er een vrucht is van dat alles
Vraag ik mij niet langer af,
Maar ik probeer u te benaderen,
Nog even, voor het graf.

ISBN: 
90 223 0571 6