Poezebeest

Cover: 
Jaar: 
1978
Genre: 
Poëzie
# blz: 
48
Inhoud: 

Een stille ontmoeting

Even kwam ik je tegen,
het was al laat in de avond
en ik liep weer in de regen.

Je was snel voorbij.

Maar het was al genoeg,
het maakte me al blij.

In het gedicht

De wanden zijn wit en de psychiaters
verdacht vriendelijk. Er is hoop
op genezing, maar ik heb nog niemand
zien weggaan, of hij kwam terug.

Dagen dat ik op weg naar mijn eigen kamer
verdwaal wisselen zich met dagen
waarop ik de wereld doorschouw als kristal.

Soms word ik krijsend wakker.
Soms word ik afgevoerd en verdoofd,
soms vastgebonden.

Er zijn momenten waarop ik eeuwenlang
mijmerend volmaakt gelukkig ben:
wanneer ik dan mijn handen op de aarde leg
zijn het kleine handen.

Liefde en ellende

Brood van weken oud heb ik geweekt in water
en opgegeten, terwijl de kou aan mijn tenen
knaagde. Met naalden heb ik in mijn bloed
gewoeld en gezocht. En niets gevonden.
Ik heb op straatstenen geslapen met honger
die door niets nog gestild kon worden
leek het wel.

In nachten, nat en donker, was ik alleen
en mijn stem hoorde niemand. Ziektes
hebben mij bezocht in de jaren, ik wou
vluchten in de dood.

Maar niets was erger dan nu, ik wou
dat je bij me kwam en in mijn ogen keek.

 

(de Congo)

Honderd kleine boten kwamen langszij
als apen zo snel klommen kwetterende basjizoeks
in ons want om hun Afrika te verpatsen.
'Manden' zeiden ze, 'echte kaketoe, wolaapje,
ivoortanden'. Een zware stank omgaf hen,
hun Afrika was al lang versjacherd.

In de vallende stilte - plots was de zon weg -
dreven traag en donker de bijtende boomstammen
langszij. Moe, doodmoe van honderd reizen
kijkt de horige van een Europese godsdienst
(de cultus van het Tandwiel, de Broodrooster,
de Verzwegen Dood)

in het bloeddoorlopen oog van de Congo.
Tot mijlen landinwaarts kantelen haaien
- altijd dezelfde blauwe kogels van vlees -
prauwen om en malen om evennaaste stuk
denkt hij

en in het oerwoud van zijn hart
nadert een vogelspin traag de laatste paradijsvogel.

 

CARCARIAS CARCAREUS (witte haai)

Hij is een groot gebit rond Samoa
men noemt hem 'Heer der Diepten'
men noemt hem 'Wandelende Jood der Waterwoestijnen'.

Vuurlanders slingeren hem schelpen na,
noemen hem 'Doodsoog. Waterkanker.'
Doodsogen, dof metaal dat wegzwemt in kil vlees.

Mijn oog is helder als het water
waarin de laatste walvis stierf
ik weet wat plankton fluistert
en versta de taal der lawines

maar de haai zwemt zwijgend
in de zwarte spiegel van mijn droom
brult in een dialekt van tanden
bloedende zinnen die zinken

voor ik ze gehoord heb.

 

 

ISBN: 
90 223 0645 3