Jotie in de woorden van ... , DEEL 1: Manu Blancquaert

In deze reeks laten we mensen aan het woord die Jotie T'Hooft persoonlijk hebben gekend. Opener is Manu Blancquaert: Joties boezemvriend en ex-klasgenoot. Samen brachten ze hun Oudenaardse tienerjaren door. Later, toen Jotie naar Gent en Brussel verhuisde, zagen de vrienden elkaar minder vaak maar bleven ze niettemin in contact.

Manu over Jotie en Oudenaarde: We groeiden op in dit stadje waar kneuterigheid het hoogste gemeengoed was. Waar brave burgers zich verschuilden achter muren van goed fatsoen waarbinnen het koper blonk op de geboende meubelen en de spreuken van Bond Zonder Naam de dekmantel waren voor overspel en bastaardkinderen. Maar naar buiten toe was alles “peis en vree” en het orgelpunt van de week was de zondagse hoogmis en ons jaarlijks carnaval, “de bierfeeste” waar Adriaan Brouwer, visueel chroniqueur van ‘s mens laagste driften, voor één dag mocht regeren. En “buitenhuis” lag dan besloten binnen de vier muren van onze markt, en bij uitbreiding door de stadswallen, die het stadje eens verdedigden tegen invallen van buitenaf, maar die nu als spookrestanten probeerden alles te weren wat de kleffe, muffe rust, waarin die kleinburgerlijkheid kon blijven gedijen, zou kunnen verstoren. Binnen die muren waren achterklap en roddel bon ton, de ergste zonde die men kon bedrijven was zichzelf boven het maaiveld verheffen want dan waart ge “nen veugelschrik” met de allures van een heidens beeld. Alle imaginatie, iedere extravagantie was uit dit oord verbannen, zoals vel verdroogd en vlees verteerd zijn in een oud knekelhuis, en derhalve verhieven we onze verbeelding tot een voor ons levende wereld. We werden prinsen van een zelf geschapen “Cour des Miracles”. In ons doolhof, dat netwerk van andersdenkenden, dat weefsel van vrije geesten en libertijnen, hadden we een complete hofhouding met een oppernar, een hofschilder, courtisanes en tutti quanti. In onze verborgen wereld, smokkelden we langs geheime tunnels alles wat nieuw, anders en vreemd was, binnen, en absorbeerden met gretigheid het geestesvoedsel “dat de poorten naar nieuwe percepties opende, we schreden met de gratie van Sidharta door de straten, huilden als Steppewolven naar de maan, we tooiden ons met oosterse gewaden en geurden naar etherische oliën uit de Levant”. De geur van mirre en wierook vulde de immense ruimtes van ons denkbeeldig paleis dat gelegen was in een oase in een betoverd woud waarvan we de grenzen konden aftasten en ze overschrijden. We koketteerden met het excentrieke van onze nieuwe goden, we ambieerden hun excentriciteit, we lachten en flirtten met wat de goegemeente slechts fluisterend durfde benaderen: het zwarte, de dood. We trokken ons terug op geheime plaatsen waarvan we vermoedden dat er restanten van oeroude krachten waarden, en voerden er rituelen op die appelleerden aan voorchristelijke heidense rituelen en geheime cultussen uit verre windstreken.We koesterden alle gedachtegoed dat haaks stond op de verzuurde meligheid die regeerde in onze stad. Kortom we deden alles om uit te breken, “om te ontsnappen uit dat keurslijf dat ons probeerde in te lijven”, dat kleverig web dat ons wou inbinden en we ontkwamen tenslotte, elk op onze manier, plaats ruimend voor een nieuwe generatie.

 

 

(Jotie en Manu in een geënsceneerde aanrijding)

Tags: