"Jotie in de woorden van ...", deel 2: auteur Johan de Boose

 

Johan de Boose (1962) is doctor in de Slavische talen en Oosteuropakunde en heeft verscheidene boeken over deze regio geschreven. Daarnaast heeft hij ook een aantal romans en dichtbundels op zijn naam staan.
Lange tijd was hij als programmamaker, presentator en cultuurredacteur verbonden aan Radio 3 / Klara.
Hij heeft sinds vele jaren een bijzondere band met Jotie's werk.

 

 

Joties adem

Het is een injectie in je puberteit, een aanslag op al je pas ontwaakte zintuigen. Het is de ontploffing van iets heel groots, iets als liefde en dood. Het is de onderdompeling in een bitterzoet bad, waarin je het liefst zou willen verdrinken. Het is ontmaagding, revolutie, sublimatie, een soort warme, tedere oorlog. Het is de donderstem van een mens in zijn absolute eenzaamheid en uitverkorenheid, daar waar je ook wilt zijn, liever dan waar ook ter wereld, en tegelijk de wurggreep van een wereld waarop je zonet verliefd bent geworden. Het is een schitterend masker, een gezicht gestold in een schreeuw, en tegelijk een naakt gezicht, dat doet denken aan een prachtige dood in het midden van het liefdesspel. Het is een prachtig voorbeeld van de overbodige grootsheid van al het menselijke werken…
Ik sloot me op in mijn kamer, verstopte me in de grot van lakens op mijn bed, maakte me zo klein mogelijk: een naakt diertje dat uit de buik van de wereld was gevallen. Ik wentelde me in de vreemdste woorden, die ik om me heen hoorde, en ik likte eraan, want woorden waren dingen, en ik wilde de dingen proeven, al wist ik dat er ook gevaarlijke smaken bestonden. Dat de kindertijd was afgelopen, betekende dat mijn lichaam een eerste grens had overschreden, en ik wist dat er nog meer grenzen zouden volgen. Natuurlijk was er niemand op de hele wereld die dit begreep. Uit die wanhoop ontstond de bij uitstek fysieke daad van het schrijven.
Van het niet begrijpen maakte ik een nieuwe wet, die de wet van de voorspelbaarheid van het dagelijks leven moest opheffen. Ik wist dat ik, om de wereld van eenzaamheid en uitverkorenheid te begrijpen, moest beginnen bij het niet begrijpen. Ik zocht het onbegrepene op, en ook al wat niet te begrijpen was. Ik verzon sterrenbeelden, alfabetten, geslachten. Ik wapende me met een oude, zware, zwarte schrijfmachine, die Hermes heette en waarop typen meer leek op mitrailleren. Eerste tekenen van bestaanswoede verschenen, maar ook honger, onstilbare, erotomane honger, en de hoop dat het mogelijk moest zijn om iets te scheppen dat al het andere overbodig zou maken.
Achteraf, begreep ik, was dit mijn privé-versie van de verdrijving uit het paradijs. De tol die je betaalt om volwassen te mogen worden is de kindertijd, de onschuld en het besef van onsterfelijkheid.
Laten we eerlijk zijn: die waanzinnige momenten duren niet lang. Als ze langer zouden duren, zouden ze massa’s jongeren de dood injagen. De mens zou dan het bijzondere dier zijn, dat nooit ouder wordt dan zeventien, want dan pleegt het zelfmoord, en dat doet het ritueel, groots en meeslepend, heroïsch, vol van roes.
Het moet in die dagen zijn geweest, dat ik voor het eerst van Jotie t’Hooft hoorde. Zijn naam gonsde in de schoolgangen. Sommigen beweerden dat ze in de weekenden met hem aan de opiumpijp hingen. Onze lichamen waren bijna volwassen, en diep in die kolossen met donkere stemmen woonde een bange wezel, die sidderde van een onbestemde angst. Kort nadat ik de vreemde naam  had gehoord, verscheen hij in de krant, en op de televisie, en de weekendvrienden huilden zodra niemand naar hen keek, alleen op de wc, in een wolk van wiet en angst.
Het was in die dagen dat de dichter een held werd. De held droeg zwarte lompen, sliep op stationsbanken en kende de donkerste kant van de liefde. Maar hij had ook de wereld en zijn dichters opgeslokt, hij kende alle verzen van alle doden, en hij vermomde zich in oude narren die alle talen van de wereld spraken en alle dromen van de wereld doorgrondden.
Het waren prachtige tijden, het waren tragische tijden. Terwijl de Hermes ratelde als een stalinorgel, droomde ik van een vlucht, zo ver mogelijk weg, weg van alles wat mij had voortgebracht, van alles wat aan een thuis deed denken, misschien wel van een dood, zoals die van de held in de zwarte lompen, van de mooie, trieste ridder, die ik op mijn hart droeg op een fotootje.
Jaren later, toen de jeugd was weggedreven als een eiland, en ik nieuwe grenzen vond en overschreed – of juist angstvallig meed –, begreep ik dat de held in zwarte lompen nooit meer uit me weg zou gaan. Ik had hem natuurlijk gedood – zodat hij mij niet zou hebben gedood –, maar zijn schaduw bleef in me wonen, hij bleef spoken, in de echo’s van mijn woorden klonken opeens de zijne. Er was een tijd waarop ik dit vervloekte, maar nog later kwam de tijd waarop ik er gelukkig om was. Iedere dode geliefde geeft zijn adem, die hij niet meer nodig heeft, aan wie achterblijft. Misschien blijft hij zo toch nog leven.

Johan de Boose

 

 


 

Meer info over Johan vindt u op:

www.johandeboose.be        
 

Tags: